easypagelogo

Dit tekstgedeelte is met toestemming van de redactie v/d Hondenwereld overgenomen uit de Hondenwereld oktober 2000 Jaargang 55 nummer 10.

Geschreven door: Dhr. M.J.M. Alferink  

 

De Berner Sennenhond                                

Vanuit de tijd dat de opbloeiende kynologie Zwitserland bereikt vanuit Engeland via Duitsland, neemt de interesse voor de "edle racen" uit het buitenland toe en taant de belangstelling voor al die honden, die eeuwenlang gefokt zijn voor het gebruik. Hierop is één uitzondering. Tussen al die slagen,want rassen in onze zin zijn het nog niet, vinden we veel roodwitte honden die voor een Sint Bernard door kunnen gaan of er veel op lijken. Die is al bekend en beroemd.  Daarom worden dit soort honden duur verkocht. Aan al het andere wordt achteloos voorbij gegaan. Op het moment dat de eerste Berner Sennenhond in het Zwitserse hondenstamboek (SHSB) worden opgenomen, ze heten dan nog Dürrbachhunde, staan er al 640 Sint Bernards genoteerd 

 

Raserkenning

Toen er nog geen verschillende rassen waren, kregen de honden die driekleurig waren verschillende namen, om ze van het roodwitte slag te onderscheiden. Zo kennen we de ‘gelbbäckler’ (geelbruine wangen), ‘Vieräugler’(geelbruine vlekken boven de ogen) ‘Bäri’,een verwijzing naar het wapen van Bern(donker gezicht zonder een bles of een bles die heel smal is) ‘Ringgi’(witte halskraag) of ‘Bläss’ (bredere witte bles) Als de kynologie haar intrede doet ten gevolge van het ontsluiten van grote delen van Zwitserland door een spoorwegennet veel buitenlandse rassen geïmporteerd en de Sint Bernardachtigen geëxporteerd worden, blijven in de afgelegen gebieden de driekleurige honden achter. En hun aantal loopt terug. De Zwitserse koepelorganisatie van 1883. de schweizerische Kynologische Gesellschaft (KSG) richt zich vanzelfsprekend op rashonden met stambomen. Toch zijn er onder de bestuursleden ook die van menig zijn dat in Zwitserland niet alleen’ minderwaardige mormels' maar ook rassen die de moeite van het fokken waard zijn aanwezig moeten zijn. Hun inspanningen om dat te realiseren hadden in  eerste instantie niet veel succes. Eén gebied dat nog niet ontsloten was ligt ten zuiden van Bern. Het was bergachtig en was moeilijk bereikbaar Toch lag daar een berghotel, het Gurnigelt Bad. Toen dat uitgebouwd was tot kuurhotel werd het een attractie voor vreemdelingen en eigen bevolking. De weg er naar toe was steil en moeilijk begaanbaar. In de buurt van de plaats Riggisberg was er daarom een pleisterplaats met herberg: Dürrbach. Het was een plek om een rustpauze in te lassen en van paard te verwisselen. Het moet daar een drukte van belang zijn geweest omdat het ook een trefpunt werd van boeren uit de omgeving, de herders uit de,hoger gelegen gebieden, de mandenvlechters met hondenkarren uit de buurt, de slagers uit de stad Bern, vee- en houthandelaren en velerlei handwerkslieden. De honden uit dit gebied kregen de naam Dürrbachler en als zodanig zijn ze in het begin van de twintigste eeuw ook op tentoonstellingen verschenen, niet als ras maar onder de titel "niet geclassificeerde rassen", Na een show in 1902 werd in het blad "Tierbörse" een lans gebroken voor die inheemse honden: "Ook was op deze tentoonstelling een proefklasse aanwezig. De Dürrbachler behoorden daartoe. Dit is een slag honden dat in het Kanton Bern ongeveer dezelfde rol speelt als in het Kanton Appenzell, de zogenaamde Appenzeller Sennenhonden, met het verschil dat de eersten groter en langharig zijn. Ze zijn zwart en roestbruin van kleur met roodgele vlekken boven de ogen, zoals we die bij de Duitse Dwergpinscher vinden. De Dürrbachler danken hun naam aan de plaats Dürrbach in het Kanton Bern, waar ze nu nog gefokt en gewaardeerd worden als vele jaren geleden. Als een energiek fokker zich over dit slag honden zou ontfermen en daarbij de grote trom zou roeren, wat perse nodig is om reclame te maken, dan zou het bestaansrecht als ras minstens net zo gerechtvaardigd zijn als van menig ander species dat vandaag de dag als rasdier met blauw bloed op tentoonstellingen verschijnt". Dat betekende nog niet meteen een doorbraak of een run op deze honden. Pas na de internationale tentoonstelling van Bern in het jaar 1904 wordt dat anders. Vier Dürrbachler Sennenhonden worden in het SHSB opgenomen. Professor Heim die op deze show aanwezig was om met zijn New-foundlanders deel te nemen aan waterwedstrijden, was zeer geïnteresseerd en naar later bleek heeft hij als keurmeester meer dan eens de richting in de fokkerij gewezen. 

 

 

Ontwikkeling      

Pas in 1907, na de oprichting van de rasvereniging "Dürrbach-Klub, Verein fur Züchtung rassereiner  Dürrbachhunde”, worden de eerste raspunten uitgewerkt. Daarover wordt veel gediscussieerd, omdat de leden van de vereniging een standaard willen die past bij de honden die er zijn. Ze willen geen schets van een te bereiken ideaalbeeld. Daarom wordt besloten een show voor Dürrbachhonden te organiseren en er voor te zorgen dat er ook honden geëxposeerd worden die niet in bezit zijn van leden van de vereniging, omdat er nog veel mooi  materiaal aanwezig zou zijn. De ontwikkeling tot een echt ras ging relatief snel, hoewel er wel het een en ander moest gebeuren . Op de eerste plaats moesten de honden met een gespleten neus verdwijnen, hoewel sommigen dat juist als rastypische  eigenschap zagen. Op de internationale  tentoonstelling van Luzern in 1907 zegt Heim:”De gespleten neus is op zich en lelijke zelfs schadelijke misvorming. Het enige voordeel dat men misschien in de gesleten neus zou kunnen zien, ligt daarin dat hij er gevaarlijk en afschrikwekkend uitziet, terwijl de andere een veel vriendelijker indruk maakt”. In de eerste standaard wordt die gespleten neus dan ook als fout beschreven. Op de internationale tentoonstelling ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan van de SKG in 1908, is Heim weer keurmeester en krijgt 21 honden te beoordelen. Deze keer houdt hij er een pleidooi met betrekking tot de vachtlengte, omdat er zowel kort- als langharige exemplaren voorkwamen. Hij zegt:” Ik ben van mening dat men bij de Dürrbachhonden het lange haar moet fokken. Dat wordt niet alleen gerechtvaardigd omdat het veelal regel is maar ook omdat het ras zich dan veel beter en natuurlijker van de Appenzeller onderscheidt”. Voor het eerst spreekt hij in zijn verslag ook van Berner Sennenhonden en stelt voor het ras ook zo te noemen. Het zal echter nog een paar jaar duren voordat het zover is. De tentoonstelling in Basel 1908 biedt Heim de kans uitvoerig stil te staan bij het type. Allereerst is hij van mening dat het voortreffelijke materiaal van eigen bodem niet moet laten ondersneeuwen door mode en vreemdelingen. De exposanten van de 17 Berners krijgen een enorme pluim op hun hoeden gestoken, omdat zij "een voortreffelijke eenheid vertonen en wederom tegenover de voorgaande jaren een merkbare vooruitgang laten zien". Toch zijn er in zijn ogen nog twee types te onderscheiden. Het ene heeft een kortere, meer gedrongen bouw en hoofd, maakt een grovere indruk en heeft toch wel de meer oorspronkelijke vorm, de oude Bernerboeren hond. Het andere is slanker in  lichaam en hoofd, edeler in totaalbeeld. En hij stelt dan de retorische vraag aan welk type men de voorkeur zou moeten geven. Hij heeft het antwoord bij de hand als hij laat weten dat we een vorm moeten nastreven die het midden houdt tussen beide types. Verder wijdt hij uit: "...maar we moeten ons ervoor hoeden te ver van de oervorm af te wijken. De veredelde Berner Sennenhond moet altijd nog een tamelijk gedrongen en stevig gebouwde hond zijn, die in zijn totale bouw en in het hoofd iets in de richting van de Newfoundlander. maar zeker met in die van de setter mag gaan”.

 

Bestandsopname

We zijn beland bij de al eerder genoemde show in 1910, gratis voor alle deelnemers, die de grondslag moest  vormen voor het opstellen van de definitieve standaard en waar de fokdieren aangewezen moesten worden. Er was nog een derde doel:  het opstellen voor een algemene leidraad voor fokkers van het Dürrbachras. Men had gehoopt op zo'n dertig honden. In werkelijkheid werden het er 107, waardoor de stoutste verwachtingen meer dan  overtroffen werden. De van de organisatie was daar vanzelfsprekend niet op berekend, maar voor het ras een geweldige opsteker en  voor de eerste beide doelstellingen een geweldige aangelegenheid. Van dat enorme aantal werden er slechts acht aangeduid als niet tot het ras behorend. Liefst tachtig werden er voor de fokkerij aanbevolen en de overigen hadden teveel fouten om voor het ras van betekenis te kunnen zijn. Alle eigenaren van honden boven één jaar die met uitmuntend beoordeeld waren, ontvingen een  premie van 5 Zwitserse franken. Voor de eigenaren van de jongere honden was de prijs een vernikkelde ketting. Vanuit deze show worden een aantal zaken nog eens duidelijk vastgelegd:* de wilde,onaangename uitdrukking is al bijna verdwenen;*in het totaalbeeld is de adel toegenomen;* het kroeshaar moet nog weggefokt worden en vervagen door sluik of lichtgegolfd haar :* knie- en sprong gewrichten moeten beter gehoekt zijn (veel honden waren daardoor overbouwd)* slechte stand van de achterbenen uitgedraaide voeten) moet voorkomen worden door honden niet te laten trekken voor ze 1 ½  a 2 jaar oud zijn;* de verfoeilijke krulstaart moet weggefokt worden; de staart moet zwevend gedragen worden; * het oor moet hoog aangezet, klein en driehoekig zijn. Een aantal van deze opmerkingen worden in de nieuwe standaard opgenomen die dan heet "Raspunten voor Berner Sennenhonden" en als in 1912 de Statuten gewijzigd worden, staat op de kaft ook "Satzungen für den Berner Sennenhunden-Klub". Zo kreeg Heim dan toch nog zijn zin. Tot dan toe is nergens gesproken over de witte aftekeningen. Je zou dat eigenlijk al lang verwacht hebben, maar als Heim in 1913 nog eens benadrukt wat er allemaal al verbeterd is, zoals het verdwijnen van de gespleten neus, het roofvogeloog, het kroeshaar, het grove en de krulstaart, vraagt hij zich af wat er nog verbeterd moet worden. Hij besluit dan met de opmerking: "Ik kan als keurmeester er ook niet toe besluiten groot gewicht toe te kennen aan kleur en aftekening. De goede bouw en een mooi ontwikkeld rastype blijven de hoofdzaak". Ik kan dat alleen maar onderschrijven, zonder te kort te willen doen aan een fraaie aftekening. Na de grootse show van 1910 kon gewerkt worden aan de consolidatie van wat er al bereikt was. Toch werden er nog regelmatig "Findlinge" ontdekt. In totaal waren er dat 104 en vanzelfsprekend zijn er daarvan ook in de fokkerij gebruikt.                            

 

Verbetering

Jarenlang ontwikkelt het ras zich gestaag, met terugslagen tijdens de beide wereldoorlogen. Dat heeft vooral zijn invloed gehad op de fokmethoden van de veertiger jaren. Tegen het einde daarvan komen er problemen die met het aanwezige bestand niet kunnen worden opgelost: er zijn heel veel gebitsfouten, het gangwerk is slecht, de    staarten worden te hoog gedragen. Ook komen er in het begin van de jaren vijftig steeds meer klachten bij het bestuur binnen over het Karakter. Er komen schuwe en te agressieve dieren voor. Dat had wel tot gevolg dat het bestuur op vrijwillige basis, een fokkeuring instelt waar gekeken werd of de jonge honden aan minimale eisen met betrekking tot exterieur en karakter voldoen om als fokdier in aanmerking te komen. In 1957 werd die verplichting gesteld. Ook werd binnen de vereniging gediscussieerd over bloedverversing door een ander ras. Er waren ook fokkers die daarmee zelf aan de slag gingen. In het jubileumboek ter gelegenheid van het 90-jarig bestaan schrijft een oude Zwitserse fokker:”Helaas was de fokbasis toen nog tamelijk klein, de inteelt werd met de jaren steeds groter en plotseling, tegen het einde van de veertiger jaren was mijn vader bijna tegen het eind van zijn Latijn. Een poging van zijn kant met het inkruisen van een Grote Zwitserse Sennenhond bracht geen succes. Het stokhaar van de van de Grote Zwitser was na drie generaties nog dominant”. Ik denk dat het nu nog steeds zo is. Deze uitspraak maakt duidelijk dat niet alleen het bestuur zich met de materie bezig hield. De tendens gaat in de richting van een New- Foundlander, omdat die qua lichaam en beharing het dichtst bij de Berner Sennenhond staat. Maar voor er een besluit  gevallen is, heeft een New Foundlanderreu in 1948 een Berner teef gedekt. Deze dekking wordt alom als toevallig omschreven, omdat die reu een hek of heg overwonnen moet hebben om bij die loopse teef te komen. Deze reu heeft gedeeltelijk Nederlandse voorouders, maar dat terzijde. Hoe dan ook, op deze mesalliance wordt voortgeborduurd door  één van de drie geboren teefjes in de fokkerij  te gebruiken.In de derde generatie wordt een nest geboren, waarvan één teef en één reu in leven blijven. Van hen wordt gezegd dat het meer dan gemiddelde Berners zijn van meer dan gemiddelde kwaliteit. De teef heeft slecht een nest gehad en is maar 4 jaar oud geworden. De reu, Alex van Angstdorf, die in 1956 Wereldkampioen werd, heeft heel wat nesten verwekt. De aantallen lopen bij verschillende auteurs uiteen van 51 tot 56. De nesten weren zeer kritisch gevolgd en alle fouten die er voorkwamen werden aan de Newfoundlander kruising toegeschreven. Vrij algemeen is men nu van oordeel dat de nakomelingen van Alex gezorgd hebben voor een verbetering van het karakter de gebitten; het gangwerk en de haarkwaliteit Op deze situatie heeft men tot op de dag van vandaag voort kunnen bouwen, waarbij het vanzelfsprekend is dat er nog andere zeer goede reuen waren. De vraag waarom zoveel en vaak geciteerd is uit beschrijvingen van professor Heim, is te vinden in de jubileumuitgave van de Zwitserse Berner vereniging, dat als titel meekreeg "Een handboek voor allen die de Dürrbachler kennen, er van houden en fokken". Daarin is te lezen: "Ook nu staan verdere ontwikkeling en voortbestaan van het ras vaak op een tweesprong. Veel fokkers weten niet zeker wat de echte Berner Sennenhond is.  In deze moeilijke situatie kunnen de overwegingen van Heim ons hulp bieden. Wij hoeven de Berner Sennenhond als type en ras niet opnieuw te creëren, we moeten behouden wat de eerste fokkers onder de leiding van Heim als juist herkend en uitgekristalliseerd hebben”. En een stukje verder:"...ontlenen we die passages, die ook tegenwoordige fokkerij richtinggevend zouden kunnen zijn.

                                     

Uit een smeltkroes van boerenhonden zijn in Zwitserland vier Sennenhondenrassen ontstaan. Daar neemt de Berner Sennenhond een bijzondere plaats in, al was het alleen al omdat ze het meeste verbreid zijn. Alle boerenhonden werden gefokt als gebruikshond. De Berner maakte daarop geen uitzondering.

                                               

Ontwikkeling  

Eeuwenlang hebben honden deel uitgemaakt van het boerenleven. Hoe lang is niet met zekerheid te achterhalen. Paulus Potter heeft op een van zijn doeken uit 1651 een tafereel geschilderd van een boerenfamilie met verschillende soorten nutvee. Aan de rechterzijde zit naast de boerin met baby een driekleurige hond die direct als een typische Berner Sennenhond herkend wordt. De selectie toen, was er een die zich richtte op het praktische gebruik. De hond moest zijn effectiviteit bewijzen in allerlei situaties die zich voordeden op het boerenerf en rond de boerderij. We moeten ons wel realiseren dat een middelgroot boerenbedrijf toen een omvang van ongeveer 14 hectare had en dat het territorium van de Berner het hele gebied omvatte. Elk bedrijf was een in zich gesloten geheel. Dat betekende dat men zichzelf, de familie en het personeel kon verzorgen en niet op anderen aangewezen was. Hier moest een Berner dus functioneren. Vanzelfsprekend moest hij het erf bewaken, dus aanslaan als er bezoek kwam en beschermen tegen ongewenste vreemden, door er voor te zorgen dat zij niet over de grens van het erf kwamen. Hij begeleidde de boer naar het land, liep naast hem en struinde niet door de aanplant op de akkers; hij trok de kar naar de "Käserei" en mocht zelfs in de grote woonkeuken komen. We kunnen vaststellen dat de Berner altijd ook een familiehond geweest is. Hij kon op het erf van de boerderij, waar altijd wel iets te doen was, in de buurt van mensen zijn. Als er pups waren groeiden die langzaam maar zeker op in dit milieu en leerden in eerste instantie van de moederhond door haar gedrag te imiteren en later kwamen ook de mensen als opvoeder in beeld. Had een jonge hond niet de goede aanleg of kon hij niet snel genoeg leren wat er van hem verlangd werd, dan was hem in het algemeen een kort leven beschoren. In het verleden werd wel gezegd dat een Berner Sennenhond geen bijzondere training nodig had. Zelfs werd beweerd dat hij zichzelf wel kon opvoeden. Generaties lang bleef dit beeld bestaan en herhaald in belangrijke kynologische werken. Nu is dat gelukkig niet meer het geval, want zo'n instelling en de daaraan gekoppelde houding kan voor een hond nogal negatieve gevolgen hebben, vooral in onze moderne maatschappij. Uit het voorgaande moge duidelijk zijn dat een Berner geen allemansvriend hoeft te zijn. Dat strookt ook niet met zijn waakzaamheid. Daar past wel enige terughoudendheid, reserve en scherpte bij. Hij was we! vriendelijk en aanhankelijk tegenover eigen mensen. Hij mocht het kleinvee niet opjagen maar moest het met rust laten, hoogstens beletten weg te lopen van het erf.

 

Selectienormen

In de tijd van de zich ontwikkelende kynologie trad er een verschuiving op in de selectiecriteria van de fokdieren. De betrouwbaarste waakhond, de beste drijfhond, de gewilligste en sterkste trekhond maakte in veel gevallen plaats voor de hond die het schoonheids ideaal  het meest benaderde. De maatstaf lag niet lager bij de gebruik eigenschappen het waren tentoonstellings resultaten  die op de prioriteitenlijst bovenaan kwamen te staan. Natuurlijk wilde men ook honden met een goed karakter, maar dat werd niet meer afgemeten aan de gebruikswaarde. In Nederland is de Berner nooit als een specifieke boerenhond beschouwd. Hij werd van meet af aan gepropageerd als luxe hond en dat was en is hij met zekerheid niet. Het veronachtzamen van het stabiele karakter en het fokken met angstige of schuwe honden gaat op den duur met zekerheid mis. Als in het begin van de vijftiger jaren in Zwitserland schuwe en al te agressieve Berners voorkomen, voert het bestuur van de rasvereniging een vrijwillige, globale fokkeuring in. Enige jaren later wordt die verplicht gesteld. Omdat die globale, vluchtige indruk van een keurmeester als weinig objectief en betrouwbaar wordt ervaren, gaan er stemmen op om die "Zuchtmusterung" om te zetten in een "Wesensprüfung". Daar worden een aantal testsituaties gecreëerd en aan de hand , daarvan wordt het gedrag van een hond beoordeeld door speciaal opgeleide keurmeesters. Waterdichte conclusies met betrekking tot de aanleg zijn niet altijd te trekken, omdat er testsituaties zijn die getraind kunnen worden. Over het geheel genomen worden ongewenste eigenschappen onderkend, waardoor het keuren op karakter eigenschappen en gedrag een positieve bijdrage vormt aan de fokkerij.  Sinds 1976 is het in Zwitserland een verplicht onderdeel van de aankeuring     

                                             

Nederland        

Ook in ons land ontstonden problemen met het karakter in een deel van de populatie. Er kwamen onberekenbare, angstige en schuwe honden voor.Daarnaast werden er ook nog gevallen van abnormale agressie gemeld, vooral gericht tegen leden van het gezin waarin de hond verbleef. Voor het overgrote deel waren dat reuen. Een ervan is onderzocht, omdat men een relatie met epilepsie vermoedde. Onder verschillende omstandigheden zijn tests uitgevoerd. Daarbij bleek dat de agressie zich niet keerde tegen vreemden en andere honden, wel tegen de verzorger en in mindere mate tegen de onderzoeker. Bovendien heeft men op verschillende manieren gepoogd epilepsie op te wekken. Aangezien dat niet lukte heeft men geconcludeerd dat de abnormale agressie niet in relatie stond met een bepaalde vorm van epilepsie. Hoe dan ook, het was duidelijk dat potentiële ouderdieren op hun karakter en gedrag beoordeeld moesten worden voor zij in de fokkerij konden komen. Naast de Commissie A van de Raad van Beheer die zich hiermee bezig hield, is ook de gedragstest zoals die in Zwitserland bestond in ons land geïntroduceerd en uitgevoerd door Zwitserse keurmeesters. Omdat wij nog niet de beschikking hebben over voldoende bevoegde gedragskeurmeesters voor Berners, worden nog regelmatig Zwitsers daarvoor uitgenodigd. Door zo te handelen worden de honden die een karakter hebben of een gedrag vertonen dat niet bij een Berner Sennenhond past, van de fokkerij uitgesloten. Omdat er bij zo'n momentopname ook wel eens een beoordelings- of inschattingsfout gemaakt wordt, al was het alleen maar omdat deelnemers van tevoren op bepaalde tests getraind zijn, moet een fokker en ook de dekreueigenaar altijd de eigen verantwoordelijkheid onder ogen zien. Men kan zich derhalve niet beroepen op een met goed gevolg afgelegde aankeuring. In vergelijk met Zwitserland zitten wij in een positie dat een fokgeschiktheidskeuring niet dwingend kan worden voorgeschreven. Dat is inherent aan de filosofie die achter het afgeven van stambomen staat. Het gevolg daarvan is dat dik meer dan de helft van alle pups die jaarlijks geboren worden, gefokt zijn door niet-leden van de rasvereniging. Die ouderdieren zijn ook vrijwel nooit beoordeeld op een door  de vereniging georganiseerde exterieur- en karakterkeuring. Dat gebiedt de fokker om nog zorgvuldiger te werk te gaan dan wanneer een expert zijn visie gegeven heeft. Als er een centraal fokbeleid komt, waar nu hard aan gewerkt wordt, ligt daar misschien een mogelijkheid ook fokkers die geen lid van de rasvereniging zijn, de verplichting tot aankeuring op te leggen.

                                                                       

Opvoeden

In de laatste standaard is het karakter en het gedrag van de Berner Sennenhond als volgt omschreven. Hij moet zeker, opmerkzaam, waakzaam en onbevreesd zijn in daagse situaties; goedmoedig en aanhankelijk in de omgang met vertrouwde personen; zelfverzekerd en vriendelijk tegenover vreemden; hij moet een gemiddeld temperament hebben en volgzaam zijn. Dat is een heel pakket, maar niet zo heel verschillend van de oorspronkelijke eisen. Daar kan een eigenaar van een Berner veel meedoen. Er is uit af te leiden dat we te maken hebben met een hond die belastbaar moet zijn en met extreme geluiden geen moeite heeft, maar ook dat de waakzaamheid een zekere scherpte vereist. De in de standaard gevraagde "führigkeit", vertaald met volgzaam, geeft aan dat een Berner snel een goede verstandhouding met mensen ontwikkeld, veel contact zoekt, gemakkelijk leert luisteren en snel op commando's of aanwijzingen reageert. Dat geeft veel positiefs aan over de omgang baas-hond en het betekent ook dat de opvoeding normaal gesproken geen problemen geeft. Daarom kan een Berner veel leren, maar dat vergt inspanning voor de eigenaar. Hoewel Berners een robuust uiterlijk behoren te hebben, boeren-honden zijn, is zijn inborst toch een beetje anders. In de opvoeding reageert een jonge hond heel anders dan je op grond van zijn uiterlijk zou denken. Hij is veel gevoeliger dan men denkt en daardoor kan een verkeerde aanpak zich al gauw negatief uitwerken op zijn ontwikkeling. Dat betekent niet dat er geen consequente houding moet zijn. Het gaat om de manier waarop met een Berner wordt omgegaan. Iemand heeft eens gezegd dat de Berner "een sterke beer met een sensibel hart" is. Dat is de spijker op de kop getroffen. Er kan ook niet met genoeg nadruk worden gezegd dat we te maken hebben met een hond die in de familie geïntegreerd moet zijn om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. Daarom past bij hem geen  geïsoleerd bestaan, is dus ook geen hond voor een kennel.

 

Zinvol bezig zijn

De bereidheid "iets te doen" is groot bij onze Berners. Als hij met zijn baas bezig kan zijn, of dat nu bestaat uit het dragen, het zoeken, het apporteren van iets of het trekken van een karretje, hij doet het enthousiast. Daarom is het belangrijk dat we voor de vroegere hof-, drijf-, en trekhond andere zinvolle bezigheden zoeken. Die gedachte heeft een aantal jaren geleden geleid tot het oprichten van een "Berner Wägeli Team". Originele karretjes werden naar Nederland gehaald en waar nodig gerestaureerd of gerenoveerd. Voor demonstraties werden choreografieën ontworpen, ingestudeerd en getraind. Alleen dat al moet veel voldoening gegeven hebben. En wie ooit zo'n demonstratie heeft gezien kon met eigen ogen vaststellen hoeveel plezier ervan uitstraalde. Het is daarom jammer dat, nu sinds het begin van de zestiger jaren het trekken van karren door honden verboden werd, een verzoek tot ontheffing daarvan nog steeds niet gehonoreerd is. Hierdoor moet helaas een uiterst positief initiatief noodgedwongen, hopelijk voorlopig, opgeschort worden. Er zijn echter veel meer mogelijkheden om met een Berner actief te zijn. We hebben ons met betrekking tot allerlei zaken vaak op het land van herkomst gericht. In het kader van het werken met de Berner kunnen we daar ook een voorbeeld aan nemen. Het jubileumboek van 1997 geeft een statistiek van de examens die in een tijdsbestek van tien jaar door Berners zijn afgelegd. Welgeteld 411 honden staan daarin vermeld. Het grootste gedeelte komt voor rekening van wat in Zwitserland Begleithund heet. Bij dit examen moeten Berners zaken die bij ons in het G & G programma zitten beheersen. Ze moeten sporen uitwerken en voorwerpen revieren. Daarnaast zijn er ook heel wat die in de africhting, Schutzhund of IPO, gewerkt hebben. Reddingshonden, speciale lawinehonden, speurhonden, zoekhonden en catastrofehonden hebben met goed gevolg examens afgelegd. Het is dus een heel breed spectrum. Ook in ons land kunnen we cursussen volgen. Het aanbod is zeer gevarieerd en er is voor elk wat wils bij. Waarschijnlijk zijn de inspanningen die geleverd moeten worden groter voor de baas dan voor de hond, want werken zit de laatste in het bloed. Het moet alleen maar goed geleid en begeleid worden. 

             

Dit tekstgedeelte is met toestemming over genomen uit de Hondenwereld jaargang 55 nummer 11

 


Last updated: 04-24-2008

Created with EasyPage